De herindeling

Waarom vindt er een herindeling plaats? Het antwoord op die voor de handliggende vraag kan door geen enkele voorstander van die herindeling afdoende gegeven worden.

Steevast wordt gewezen op de grote bestuurskracht van een grote gemeente. Allerlei problemen die zich in kleine gemeenten voordoen, zouden door schaalvergroting worden opgelost. Op zich is het een waarheid als een koe dat grote gemeenten niet de problemen kennen die typerend zijn voor kleine gemeenten. Maar het omgekeerde, kleine gemeenten kennen niet de problemen die grote gemeenten hebben, is natuurlijk ook waar. De fusie van Winschoten, Reiderland en Scheemda mag dan wel hier en daar een probleem oplossen, er komen echter weer andere problemen voor in de plaats.

We geven enkele voorbeelden.

Tijdens en na de fusie zal er bezuinigd kunnen worden op het ambtenarenapparaat voor zover zich dat met de directe uitvoering van taken bezighoud. Er kan tevens makkelijker gekozen worden voor ambtenaren met die zich in een of andere taak gespecialiseerd hebben. De mogelijkheden voor vervanging van ambtenaren bij afwezigheid worden ruimer. Maar al die specialisten behoeven wel aansturing. Tegelijk met de bezuiniging zullen er extra uitgaven moeten plaatsvinden om tot onderlinge afstemming komen. Daar zijn dan weer managers voor nodig. Het is niet voor niks dat er volgens veel organisatiedeskundigen in Nederland een ware managersplaag heerst. Die plaag kon pas de kop opsteken na de fusies die op allerlei terreinen (gezondheidszorg, onderwijs, openbaar vervoer, et cetera) plaatsvonden. Per saldo zijn organisaties met al die managers duurder uit. Het is niet voor niks dat veel gefuseerde organisaties na enkele jaren al in ernstige financiële moeilijkheden komen.

Het ligt voor de hand dat na de herindeling gebouwen die door Reiderland en Scheemda worden gebruikt kunnen worden afgestoten. Dat lijkt op het eerste gezicht een besparing. Maar hoe pakt dat in werkelijkheid uit? Zouden er wel kopers te vinden zijn voor de huidige gemeentehuizen van Reiderland en Scheemda? En als die er zijn, zijn die dan wel bereid een reële prijs te betalen? Het bestaande gemeentehuis van Winschoten zal niet meer voldoen. Er zal verbouwd en/of bijgebouwd moeten worden. Als we de kosten van dat alles tegen de besparingen afzetten, zal het resultaat negatief voor de belastingbetaler uitpakken. We hebben het dan nog niet eens over de schade die geleden wordt door de inwoners van Oldambt die in de dorpen wonen tengevolge van langere reistijden. Die schade drukt niet op de gemeentebegroting en is daarom voor de regenten niet interessant. Dat gaat nog meer op voor de niet op geld waardeerbare schade tengevolge van de grotere afstand burger-overheid die door de verplaatsing van de gemeentelijke gebouwen optreedt.

De Blauwestad wordt herhaaldelijk genoemd als argument om tot herindeling over te gaan. De Blauwestad ligt nu op het grondgebied van drie gemeenten en het zou beter gaan met de verkoop van dure huizen als slechts één gemeente de gang van zaken kan sturen. De infrastructuur voor de Blauwestad ligt er echter al. Dat is voor elkaar gebracht ondanks dat drie gemeenten daarbij betrokken waren. De verkoop van dure huizen is afhankelijk van de economische vraag naar deze huizen. Landelijk gezien is deze vraag niet groot. Wetenschappelijk onderzoek heeft al voor men met de Blauwestad-plannen naar buiten kwam aangetoond dat er in het westen van het land helemaal geen vraag naar dure huizen in Oost-Groningen is. Er bestaat in het geheel geen relatie tussen het gebrek aan vraag naar deze huizen in het Oldambt en de bestuurlijke organisatie van het gebied.

Een gemeentelijke herindeling zou het antwoord zijn op het probleem van de bestuurlijke spaghetti die ontstaat door de wirwar van bovengemeentelijke samenwerkingsverbanden. Gemeenten kennen veel samenwerkingsverbanden. De gemeenschappelijke regeling is de belangrijkste. Algemeen en dagelijks bestuur van zo'n gemeenschappelijke regeling worden dan gevormd door bestuurders en/of raadsleden van de deelnemende gemeenten. Dat roept vreemde toestanden in het leven. Zo zijn er mensen die als wethouder over een bepaald onderwerp een andere mening hebben dan als bestuurder van zo'n gemeenschappelijke regeling. De PvdA'er Van Leeuwen bestaat het om als voorzitter van een stichting protest aan te tekenen tegen een beleid dat hij als bestuurder van de IGSD voorstaat en waarbij hij als wethouder van Scheemda weer kanttekeningen plaatst. Belangrijker is dat in de praktijk steeds weer blijkt dat de gemeente op alle niveaus invloed op de gang van zaken verliest. Organisatorische en financiële problemen kunnen jarenlang voortwoekeren zonder dat gemeenteraden er zelfs maar van op de hoogte zijn.

Een sprekend voorbeeld is de InterGemeentelijke Sociale Dienst Oldambt, waar de chaos onder leiding van een dagelijks bestuur bestaande uit de burgemeester van Scheemda en wethouders uit de andere deelnemende gemeenten zo ernstig werd dat de cliënten niet eens hun uitkeringen kregen uitbetaald. Hoewel de VCP dit probleem keer op keer in de gemeenteraad aan de orde stelde, ontbrak het de gemeenteraad aan macht om de zaak op te lossen. Uiteindelijk heeft de VCP het probleem per brief van 25 september 2006 bij de minister van sociale zaken en werkgelegenheid aan de orde gesteld. Als reactie daarop werd er een nieuwe directeur aangesteld die eerder bij dit ministerie had gewerkt. De chaos is nu grotendeels verholpen, maar in feite ligt de macht nu bij deze directeur die het algemeen en dagelijks bestuur gewoon op sleeptouw neemt. Van democratische controle is nog steeds geen sprake.

Bij een herindeling sneuvelen er natuurlijk veel van die gemeenschappelijke regelingen. De IGSD en de GM Blauwestad zullen bijvoorbeeld verdwijnen. Men ziet dat dan als een groot voordeel.

Er zijn echter twee opmerkingen bij dit argument.

Ten eerste staat uit onderzoek (bijvoorbeeld naar de effecten van de grote gemeentelijke herindeling in Drenthe van 1998) vast dat het aantal bovengemeentelijke samenwerkingsverbanden na een herindeling niet afneemt. Een belangrijke reden daarvoor is dat ook andere organisaties dan gemeenten (op het gebied van de gezondheidszorg, de afvalverwerking, de sociale werkvoorziening, het onderwijs, de brandweer et cetera) aan schaalvergroting doen. Een grotere heringedeelde gemeente blijft in deze beweging toch weer achteraan sukkelen.

Ten tweede stelt men zich niet de vraag waarom er überhaupt voor bovengemeentelijke samenwerking wordt gekozen. Uiteraard zijn er taken die door een kleine en zelfs middelgrote gemeente niet kunnen worden uitgevoerd. Maar al in de 19e eeuw is in dit probleem voorzien door boven de gemeenten de provincie als bestuurslaag in te stellen. Deze constructie wordt wel in een verwijzing naar haar uitvinder "het huis van Thorbecke" genoemd. Ook de waterschappen vervullen in deze een belangrijke rol naast de gemeenten. Provincies en waterschappen stellen de laatste jaren echter steeds minder voor.

Er gaan zelfs stemmen op deze organisaties maar op te heffen. Maar wat ligt meer voor de hand deze organisaties die taken toe te bedelen die voor gemeenten niet geëigend zijn? Zo was het oorspronkelijk bedoeld in "het huis van Thorbecke" en de VCP ziet geen enkele aanleiding om bestaande bestuurslagen af te breken en daarvoor in de plaats de gemeenten te vergroten.

Daarmee is ook het argument dat een grote gemeente sterker staat ten opzichte van provincie en Rijk weerlegd. De verschillende overheidslagen horen helemaal niet in een onderlinge machtsstrijd verzeild te raken. Iedere bestuurslaag spant op zich op eigen niveau met eigen taken in voor de burgers.

De VCP is in beginsel tegen bovengemeentelijke samenwerkingsverbanden. De VCP zal niet meedoen aan machtsspelletjes tussen de verschillende bestuurslagen.

De redenen die door de voorstanders van de herindeling worden aangevoerd zijn dus drogredenen. Waar gaat het dan werkelijk om?

Het allergrootste motief om tot herindeling over te gaan is gelegen in de te verwachten bevolkingskrimp in Oldambt. We gaan daar in een apart hoofdstuk in dit verkiezingsprogramma op in.

Het tweede motief tot herindeling dat door de regenten nooit genoemd wordt, is nogal ordinair. Het gaat om baantjes jagen en graaien. In een kleine gemeente hebben de baantjes een geringe status en zijn de salarissen laag. In een grote gemeente verandert dat allemaal in positieve zin, althans naar mening van de regenten . Dus zijn regentenpartijen als PvdA, CDA en VVD voor die herindeling.

Het is niet voor niets dat managers zo'n hoge inkomsten hebben. Ze trekken aan de touwtjes en kunnen zichzelf bedienen. En dat blijft niet beperkt tot de managers. Lokale en regionale regenten, en zelfs Tweede Kamerleden, weten ook wel wegen te vinden om het geld van belastingbetalers in hun eigen zakken te laten verdwijnen. Vandaag roepen ze de mensen toe dat de lonen gematigd moeten worden, morgen stemmen ze in met een verhoging van hun eigen inkomsten.

De VCP'ers die zitting hebben in de gemeenteraad dragen de helft van de vergoedingen die ze daarvoor krijgen af aan de penningmeester van de VCP. Raadscommissieleden van de VCP dragen 20% af. Een uitzondering wordt gemaakt voor diegenen die van een uitkering moeten rondkomen. Zij zouden door de regeling van de VCP ernstig financieel benadeeld worden. Een eventuele wethouder van de VCP zal alle inkomsten die een normaal loon te boven gaan eveneens afdragen.

Bij de jacht op baantjes en de daarbij behorende inkomsten wordt voor de toekomstige gemeente Oldambt een belangrijk aspect uit het oog verloren. De huidige lokale bestuurders zijn over het algemeen onvoldoende deskundig voor het besturen van een grote organisatie. In feite is hun bestuurlijk optreden op dit moment in de kleinere gemeenten al ver onder de maat. Dit zal tot gevolg hebben dat de wethoudersposten en de hogere functies in het ambtenarenapparaat bezet zullen gaan worden door mensen van buiten de regio. De lokale baantjesjagers zullen dus achter het net vissen. Erger is dat de band tussen bestuur en regionale bevolking verbroken zal worden.

Een zeer groot en specifiek probleem is het samengaan van stad en dorpen in één gemeentelijke organisatie. Voor deze specifieke vorm van herindeling zijn niet veel voorbeelden te vinden. Wel komt het voor dat een stad één of meerdere dorpen opslokt. Maar dat is bij de herindeling in het Oldambt niet het geval. De dorpen blijven naast de stad bestaan. Bij de vorige Groningse herindeling in 1990 zijn wel de dorpen Woldendorp, Wagenborgen en Termunten samen met Delfzijl één gemeente gaan vormen. De ervaringen hiermee zijn niet positief. De eerste geluiden om de dorpen maar weer van Delfzijl los te maken, zijn al te horen. In Drenthe, waar Emmen met omliggende dorpen één gemeente is gaan vormen, heeft men het kennelijk beter aangepakt. Op het eerste gezicht lijkt daar veel minder sprake van tegenstellingen tussen de stad en dorpen.

De VCP bespeurt onder de bevolking van de dorpen een grote angst om bij Winschoten te worden achtergesteld. In de gemeente Scheemda leeft dat gevoel sinds de vorige herindeling ook bij de inwoners van de kleinere dorpen ten opzichte van het dorp Scheemda. Dit gevoel is niet helemaal ten onrechte. Achterstelling vindt feitelijk al plaats door het kernenbeleid, dat eerder al genoemd werd omdat de PvdA daar zo'n groot voorstander van is. Wie voorzieningen in grote kernen wil concentreren, holt uiteraard het leven in de dorpen uit.

We kunnen er ook niet onderuit dat politici in Winschoten zich superieur wanen aan politici uit de dorpen. Als iemand als de heer Kötz van GroenLinks op een bijeenkomst van de FNV glashard stelt dat wanneer Winschoten een standpunt heeft de andere twee gemeenten er wel achteraankomen, als diezelfde heer Kötz de nummer twee op de GroenLinkslijst die uit Scheemda afkomstig is minachtend als zijn "running mate" aanmerkt en als de heer Kötz zich druk maakt om nog voor de herindeling nieuwe plaatsnaamborden met "Stad Winschoten" erop aan te schaffen, dan zegt dat genoeg. Ook bij andere partijen zien we een interne strijd om posities waarbij het thema stad-dorp een grote rol speelt. De dorpen delven dan vaak het onderspit.

Aan de herindeling in Oost-Groningen kleeft het grote gevaar van "dorpisme". Onder die term wordt in een groot onderzoek naar de effecten van herindelingen in de provincie Zuid-Holland verstaan: "rivaliteiten tussen raadsleden afkomstig uit de verschillende, voormalige gemeenten." Dit dorpisme heeft op één heringedeelde gemeente in Zuid-Holland na vijf jaar nog steeds een grote en negatieve invloed.

De herindeling biedt ook een kans om een vergelijking te maken tussen de drie gemeenten onderling en voor het beste te kiezen. Voor de VCP doet het daarbij niet ter zake of dit beste uit Reiderland, Winschoten of Scheemda komt. Onlangs nog heeft de VCP in de gemeenteraad van Scheemda volledig voor een systeem van toebedeling van jeugdvoorzieningen gekozen dat in Winschoten gebruikelijk is. Gewoon omdat dit systeem het beste is.

De VCP stelt zich op het standpunt dat strijd tussen stad en dorpen een heilloze weg is. "Proletariërs aller landen verenigt u", is de opdracht van Karl Marx en Friederich Engels in het Communistisch Manifest. Dat geldt ook voor Oldambt. Het maakt de VCP ook niet uit of werkers en uitkeringsgerechtigden uit een stad of uit een dorp komen. Zij zijn allen slachtoffer van het kapitaal. De verkiezingsleus van de VCP is dan ook niet voor niks:

STAD EN DORPEN
SOLIDAIR

Bevolkingskrimp