Overigens
is het aan de gemeenteraad om hierin verandering aan te brengen.
Als de burgemeester door afwezigheid eens niet in staat is het
raadspresidium voor te zitten, gaat het allemaal niet anders.
Zo wilde haar vervanger, het gemeenteraadslid Drent (PvdA),
eens een poging ondernemen om tot afspraken te komen aangaande
de bejegening van een nieuwe journalist van het Dagblad van
het Noorden. De poging liep spaak door het verzet van de VCP-fractievoorzitter.
We
komen tot de conclusie dat het raadspresidium, dat als formele
taak heeft het opstellen van de raadsagenda, is verworden tot
een instrument tot het bedrijven van achterkamertjes politiek.
Hetzelfde
gaat op voor enkele ingestelde werkgroepen. In de werkgroep
Kwaliteit van het democratisch proces gaat het niet
over de kwaliteit van het democratisch proces, maar wordt schaamteloos
het creëren van Groot Winschoten voorbereid.
Een
ander belangrijk cultuurkenmerk is het afschuiven van verantwoordelijkheid.
De angst om zich aan een ingewikkeld onderwerp de vingers te
branden staat voorop. Veel onderwerpen die aan de orde komen,
blijven daarom inhoudelijk onbesproken. Het afschuiven van verantwoordelijkheid
komt ook tot uiting in het oprichten van steeds meer bovengemeentelijke
bestuursorganen. Als de VCP bijvoorbeeld kritiek heeft op het
functioneren van de IGSD, blijft de raad angstvallig stil en
verwijst het college naar het bestuur van dit bovengemeentelijk
orgaan. Als politieke partij hebben we via de middelen die het
burgerlijk parlementair stelsel biedt echter geen invloed op
dit bestuur. Op het niveau van het landsbestuur wordt een en
ander steeds duidelijker. Quangos (quasi autonome non
gouvernementele organisaties) en zbos (zelfstandige bestuursorganen)
zorgen voor steeds grotere problemen, niet alleen op bestuurlijk
maar vooral ook op financieel gebied. Het is niet voor niets
dat er op het Ministerie van Financiën de grootste bezwaren
tegen deze bestuursorganen leven.
Het
doorsnee gemeenteraadslid spreidt verder een buitensporig vertrouwen
in het ambtenarenapparaat ten toon. In zijn roman Anna Karenina
schrijft Tolstoj over een ambtelijk rapport: Op alle vragen
was op voortreffelijke wijze antwoord gegeven en deze antwoorden
waren aan geen twijfel onderhevig, daar ze niet het resultaat
waren van menselijk denken, wat niet onfeilbaar is, maar van
ambtelijke arbeid. De gemeenteraad van Scheemda heeft
zich dit citaat, ontdaan van het voor Tolstoj kenmerkende sarcasme,
tot lijfspreuk gemaakt. Afgezien van de VCP komt het maar nauwelijks
voor dat een partij eens op zoek gaat naar andere bronnen en
mogelijkheden. Welk raadslid neemt eens een wetboek ter hand
om zelfstandig uit te zoeken hoe iets geregeld is? Welk raadslid
trekt eens gewoon de gemeente in om zijn/haar licht op te steken
bij mensen die direct betrokken zijn en vaak verstand van zaken
hebben? Welk raadslid heeft oog voor instanties buiten de gemeente
waarmee politieke doelen gehaald kunnen worden? In de eerder
genoemde IGSD-affaire heeft de VCP successen geboekt omdat de
partij door directe contacten met uitkeringsgerechtigden op
de hoogte is van de problemen en door het inschakelen van de
bestuursrechter en het dreigen met rapportage aan het ministerie
ontwikkelingen bij de IGSD in gang kon zetten. Het is nu zo
dat de partij in direct overleg met positief ingestelde ambtenaren
veel kwesties oplost die eerder aanleiding gaven tot grote spanningen
tussen de IGSD en zijn cliënten. De rest van de gemeenteraad
komt aan dit alles, door eigen toedoen, niet te pas.
De
cultuur van het vragenstellen is verder opmerkelijk.
Wie in het normale leven iets vraagt, weet iets niet en wil
een antwoord. In de politiek is het stellen van een vraag echter
iets geheel anders. Raadsleden stellen vaak vragen omdat ze
het niet met een standpunt eens zijn en dat niet in duidelijke
bewoordingen willen zeggen. Vandaar ook dat de meeste raadsleden
het onderscheid tussen raadscommissies, die bij uitstek geschikt
zijn om ontbrekende informatie op te vragen, en raadsvergaderingen,
waar politieke standpunten helder moeten worden, niet kunnen
maken.
Een
van de meest belangrijke onderwerpen voor het doorsnee raadslid
is de om de 4 jaar weer terugkerende vraag wie wethouder wordt.
De recente en zeer riante loonsverhoging voor de wethouders
speelt daarbij een zeer ongunstige rol. Zelfs binnen fracties
ontbrandt de strijd wie deze felbegeerde post mag innemen. Deze
strijd is een belangrijke reden waarom persoonlijke verhoudingen
tussen sommige raadsleden al jaren verziekt zijn. Het is kenmerkend
dat politieke overwegingen daarbij geen enkele rol spelen. Dat
een politieke partij met goed oppositievoeren wel eens meer
resultaat kan hebben dan met het bezetten van bestuursposten,
is maar bij weinigen doorgedrongen.
De
houding die tegenover de jeugd wordt aangenomen is uiterst ambivalent.
Enerzijds erkent natuurlijk iedereen het grote belang van betrokkenheid
van jongeren bij de politiek. Anderzijds worden de concrete
belangen die de jeugd in de gemeente heeft niet eens gezien,
laat staan dat men er iets mee doet. In het concept van de nota
burgerparticipatie wordt er van uit gegaan dat jongeren op een
manier die leuk is bij de politiek betrokken moeten
worden. Alsof politiek zo leuk is. Verder wordt hen voorgehouden
dat ze kunnen meebeslissen in een jongerenraad. Puur bedrog,
iedereen kan immers weten dat zon jongerenraad geen enkele
beslissingsbevoegdheid heeft.
Als
laatste cultuurkenmerk willen we de structurele overbelasting
van de raadsleden noemen, althans van die raadsleden die zich
voldoende op de hoogte willen houden. De overbelasting wordt
veroorzaakt door het opzettelijk slecht plannen van besluitvormingsmomenten.
Men komt aan een inhoudelijke behandeling van onderwerpen niet
toe wanneer belangrijke besluitvormingsmomenten kort na elkaar
of op het laatste moment voor het aflopen van een wettelijk
vastgestelde termijn plaatsvinden. Wie lid is van een kleine
fractie, medeverantwoordelijk is voor een gezin, een betaalde
baan heeft en actief is in het verenigingsleven, komt door de
veelheid van vergaderingen en bijeenkomsten aan het invullen
van het raadslidmaatschap nauwelijks toe. Dit gegeven heeft
tot gevolg dat er voor mensen die midden in de samenleving staan
een barrière wordt opgeworpen om raadslid te worden en
te blijven.
Het
is niet te verwachten dat deze cultuur snel zal veranderen.
Veel raadsleden hebben geen enkele moeite met de gang van zaken.
Zolang hun ijdelheid maar voldoende gestreeld wordt en ze zich
aan hun verantwoordelijkheden kunnen onttrekken, is het al lang
best. Dat de hele gemeentepolitiek inmiddels door een groeiend
aantal mensen niet meer voor vol wordt aangezien, ontgaat hen.
Oude
structuur voldeed prima
Uit
het voorgaande bleek al dat een communistische partij die haar
revolutionaire uitgangspunten serieus neemt, geen behoefte heeft
aan dualisme. In 1989 kregen de communisten 474 stemmen in de
gemeente, dat was goed voor één raadszetel. Bij
de verkiezingen van 1994 was er forse winst, we gingen naar
695 stemmen. De trend zette zich in 1998 door, met 1002 stemmen
kwamen we op 2 zetels. Bij de laatst gehouden verkiezingen gaven
1067 mensen hun stem aan de VCP en 110 aan de NCPN. Als de communisten
die stemmen bij elkaar hadden kunnen optellen, en bij de volgende
verkiezingen zal dat wel lukken, hadden ze nu 3 zetels gehad.
Deze gestage vergroting van onze kiezersaanhang laat zien dat
het niet gaat om populistische actiestemmen, maar om een structurele
verbreding van onze basis.
Ook
op het formele vlak maakt het voor de VCP niet uit of een gemeenteraad
monistisch of dualistisch is.
Het
dualisme zou de mogelijkheden tot het voeren van oppositie makkelijker
moeten maken. Daarom is bijvoorbeeld het raadspresidium ingesteld
dat partijen de mogelijkheid moet geven de agenda voor de gemeenteraadsvergadering
te beïnvloeden. Die mogelijkheid bestond echter onder het
oude monistische stelsel ook. Op grond van artikel 74 lid 2
Gemeentewet kon en kan iedereen middels een schrijven naar de
gemeenteraad een onderwerp op de agenda krijgen.
De
raadsleden zouden in het nieuwe stelsel beter geïnformeerd
worden. Voor invoering van het dualisme werd er wel eens moeilijk
gedaan als er door de VCP inzage in ambtelijke stukken werd
gevraagd. Dat is niet veranderd, recentelijk nog maakte zelfs
de fractievoorzitter van het CDA bezwaar tegen het opvragen
van gegevens door de VCP. Hij stelde zich op het standpunt dat
dit slechts bij uitzondering moet kunnen. Wat schieten we dan
op met het dualisme? Als men de Wet Openbaarheid van bestuur
als richtsnoer neemt, en die gold ook al voor invoering van
het dualisme, is het duidelijk dat bestuursorganen verplicht
zijn aan iedereen die daarom vraagt informatie te verstrekken.
Op deze regel zijn slechts enkele nauw omschreven uitzonderingen
mogelijk.
De
ambtelijke ondersteuning waar raadsleden onder het dualisme
recht op hebben, is eveneens een farce. Men kan moeilijk verwachten
dat ambtenaren die een bepaald beleid opzetten en uitvoeren
een politieke partij in zijn oppositie tegen datzelfde beleid
zullen steunen. Als een partij oppositie wil voeren, zal ze
dat op eigen kracht moeten doen.
Onder
de noemer van het dualisme is het verder de bedoeling dat de
raad op geïnstitutionaliseerde wijze contact zoekt met
de bevolking. Een goed functionerende fractie zou daar toch
geen behoefte aan moeten hebben. De VCP-fractie had en heeft
goede contacten met de inwoners van de gemeente. Zij weten ons
te vinden en wij hen. Wie de contacten met de bevolking institutionaliseert,
spant het paard achter de wagen.
Alleen
ten aanzien van de nog in te stellen rekenkamer willen we een
voorbehoud maken. Het is niet uitgesloten dat een goed functionerende
rekenkamer een positieve bijdrage gaat leveren.
Conclusie
De
VCP heeft, ondanks dat ze in grootte de derde partij in de gemeente
is, maar een kleine fractie. De meeste fractieleden en fractiemedewerkers
hebben naast hun raads- en raadscommissiewerk nog andere belangrijke
taken, zowel binnen als buiten de partij. We moeten woekeren
met onze tijd en energie.
Ondanks
dat we vanaf het begin onze ernstige twijfels bij de dualisering
hebben gehad, hebben we de dualisering een kans gegeven. Dualisering
brengt ons echter niks positiefs. Nu is het moment aangebroken
waarop wij resoluut kiezen voor de taken die wij belangrijk
vinden. De eerder opgesomde successen komen ons immers niet
aanwaaien, daar moet hard voor gewerkt worden.
We
hebben besloten om niet meer mee te doen aan alle vormen van
overleg die uit het dualisme voortkomen. Dat wil zeggen dat
we niet meer deelnemen aan het raadspresidium en de werkgroepen.
We wensen ook geen door raad en college geïnstitutionaliseerd
contact met de bevolking.
In
1904 formuleerde Lenin enkele fundamentele stellingen aangaande
de partijorganisatie. Eén van die stellingen luidt:
De
partij is de belichaming van de verbintenis van de voorhoede
der arbeidersklasse met de miljoenenmassas van de arbeidersklasse.
Welk een uitstekende voorhoede de partij ook moge zijn en hoe
goed zij ook georganiseerd moge zijn, toch zal zij niet kunnen
leven en zich ontwikkelen zonder verbindingen met de partijloze
massas, zonder deze verbindingen te vermenigvuldigen en
sterker te maken. Een partij, opgesloten in zichzelf, afgezonderd
van de massas en die de verbindingen met haar klasse heeft
verloren of ze ook maar zwakker heeft laten worden, zulk een
partij moet het vertrouwen en de steun van de massas verliezen,
en moet bijgevolg onafwendbaar te gronde gaan. Om ten volle
levenskrachtig te zijn en zich te kunnen ontwikkelen moet de
partij haar verbindingen met de massas uitbreiden en het
vertrouwen van de miljoenen van haar klasse winnen.
De
politieke ontwikkelingen in de gemeente Scheemda laten zien
dat het vasthouden aan deze fundamentele stelling van Lenin
meer perspectief biedt dan het dualisme.
Januari
2005