Beantwoording raadsvraag

portefeuille Brader


Vraag:
Naar aanleiding van een eerder ingediende vraag van de VCP-fractie is de tekst van artikel 9 aangepast en vervolgens is de verordening vastgesteld door de Raad.

In de oorspronkelijke versie van de verordening was aangegeven dat het niet ondertekenen of het niet aan het bestuur verstrekken van de trajectovereenkomst cq. trajectplan welke in het kader van de verlening van een uitkering is opgesteld, aangemerkt wordt als een gedra-ging waardoor de verplichting op grond van artikel 37 van de Ioaw en Ioaz niet voldoende is nagekomen en aldus grond geeft voor het opleggen van een maatregel.

Het opleggen van een maatregel bij het niet ondertekenen van een trajectplan zou in strijd zijn met de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek, aldus de VCP-fractie ("een overeenkomst wordt door beide partijen uit vrije wil getekend"). Nadere bestudering hiervan heeft vervol-gens geleerd dat deze bepaling juridisch niet in stand kon blijven. Dat gaf dan ook aanleiding om de betreffende bepaling te schrappen uit de aangeboden Maatregelverordening.

Om in voorkomende situaties toch passend op te kunnen treden is aangegeven dat het niet willen ondertekenen van een trajectplan gekwalificeerd kan worden als het niet voldoende mee werken aan een ingezet re-integratietraject en dat kan vervolgens een reden zijn voor het opleggen van een maatregel en wel op grond van artikel 9, sub 3 van de Verordening. De VCP-fractie is cq. blijft van mening dat - via deze omweg - de klant toch wordt gestraft voor het niet ondertekenen van het trajectplan.


Antwoord:
Een burger die geen inkomen heeft om in z'n eigen levensonderhoud te voorzien, kan een bijstandsuitkering op grond van de Wwb, WIJ, Ioaw of Ioaz aanvragen bij de gemeente. Wanneer hij/zij voldoet aan de geldende eisen en voorschriften, moet de gemeente de uitke-ring toewijzen. De gemeente heeft vervolgens de wettelijke taak om inwoners die zijn aan-gewezen op een uitkering te ondersteunen richting de (reguliere) arbeidsmarkt (zie o.a. arti-kel 7 Wwb, artikel 11 WIJ, artikel 34 Ioaw en artikel 34 Ioaz).

In het algemeen kan gesteld worden dat de uitvoering (inclusief de opbouw van de wet) van de hierbij bedoelde sociale zekerheid wetten gekenmerkt wordt door het verbinden van voorwaarden en/of verplichtingen aan het (blijven) ontvangen van een uitkering. Naast de verplichting tot het verstrekken van alle informatie die van belang is voor de verlening en voortzetting van de uitkering, hebben de verplichtingen met name betrekking op het mee-werken (naar vermogen) aan de eigen re-integratie. In de verschillende wetten zijn daartoe specifieke bepalingen opgenomen (zie o.a. artikel 9 Wwb, artikel 45 WIJ, artikel 37 Ioaw en artikel 37 Ioaz).

In die verschillende wetten wordt vervolgens aangegeven dat bij het niet nakomen van deze verplichtingen, het college de uitkering verlaagt overeenkomstig de gemeentelijke Maatregel verordeningen (zie o.a. artikel 18 Wwb, artikel 41 WIJ, artikel, artikel 20 Ioaw en artikel 20 Ioaz).

In kader van de re-integratie activiteiten worden met klanten afspraken gemaakt die tot (bij voorkeur) uitstroom moeten leiden (= dusdanige plaatsing op de reguliere arbeidsmarkt dat voorzien kan worden in de eigen kosten van levensonderhoud).
Het is - ook in kader van de uitvoering van de sociale zekerheid - gebruikelijk om gemaakte afspraken en inspanningsverplichtingen schriftelijk vast te leggen en te ondertekenen. Op grond hiervan weten partijen wat zij jegens elkander hebben afgesproken en waar men el-kaar aan kan houden. Dit is ook voor de klant een waarborg dat de gemeente haar inspan-ningen en verplichtingen nakomt. Voor de goede orde, het betreft dus een overeenkomst waarin over en weer tussen klant en gemeente rechten en plichten worden vastgelegd. Deze schriftelijke vastlegging is bekend onder de term trajectovereenkomst of trajectplan.

Zoals hiervoor al is aangegeven is het ondertekenen van een trajectovereenkomst of -plan niet afdwingbaar. Indien de klant aangeeft niet te willen ondertekenen - wat op zich vreemd is omdat het gaat op gezamenlijk gemaakte afspraken - kunnen zich een tweetal situaties voordoen, namelijk:
1. de klant werkt wel (voldoende) mee aan de re-integratie-afspraken.
In een dergelijke situatie zal, in het algemeen gesteld, niet worden overgegaan tot het opleggen van een maatregel. Het trajectplan is immers niet het primaire doel, maar wel de medewerking tot het verkrijgen van een plaats op de arbeidsmarkt. De inzet om te re-integreren weegt zwaarder dan het niet ondertekenen van het trajectplan.
2. klant werkt niet (of onvoldoende) mee aan de re-integratie afspraken.
In een dergelijke situatie kan niet anders geconcludeerd worden dat de klant niet (vol-doende) meewerkt aan de re-integratie-verplichting, hetgeen maatregelwaardig gedrag oplevert. Vervolgens wordt een onderzoek ingesteld naar aard en omvang dit gedrag om te kunnen bepalen welke maatregel hiervoor passend is.
In alle gevallen waarin de gemeente meent dat een klant maatregelwaardig gedrag vertoont, moet zij een onderzoek instellen waarbij alle relevante feiten en omstandigheden meege-wogen worden. Deze afstemming heeft tot doel dat als de gemeente overgaat tot het opleg-gen van een maatregel, deze in verhouding staat tot het gedrag van de klant. Het opleggen van een maatregel is ook geen doel op zich, maar moet leiden tot een verandering van ge-drag van de klant zodanig dat hij/zij zich houdt aan gemaakte afspraken cq. aan opgelegde plichten.

Indien de opvatting van de VCP-fractie gevolgd zou worden, zal dat betekenen dat het sys-teem van de uitvoering van de sociale zekerheid onderuit gehaald zou worden en dat kan niet de bedoeling zijn. Kortom, de privaatrechtelijke aangelegenheid van het wel of niet on-dertekenen van een overeenkomst, heeft geen invloed op de publiekrechtelijke uitvoering van de sociale zekerheid wetten (waaronder de Ioaw en Ioaz begrepen worden).


Harry Wieringa,
afdelingshoofd werk&inkomen.


 

 

 


Home